Vriendje

“Ik heb hem gemanifesteerd,” zegt Klara, met die voor haar typische ik-weet-wat-ik-doe-en-heb-mijn-hele-leven-voor-elkaar-haarzwaai.

Als bezeten swipet ze een vinger met knalrode glansnagel over het gsm-scherm. Foto na foto van Stephen, haar nieuwe aanwinst op Tinder, glijdt voorbij. Rijzige gestalte, sportief. Een weelderige blonde haardos. Gekleed met intentie, dat druipt ervan af. En bovendien (volgens Klara althans, dat kan ik uit de foto’s immers niet afleiden): briljant. Genoeg om het nog vacante plekje van zielsverwant in Klara’s hart in te palmen.

“Gemanifesteerd?” Ik herhaal het schaapachtig van achter mijn veel te grote, schuimende latte macchiato. Het is druk vandaag in het koffiehuis, en vooral luid. Overal om ons heen rinkelen kopjes en schotels tegen elkaar aan, serveerders reppen zich kruislings door de ruimte, een groepje puisterige pubers aan een bekliederde tafel lacht veel te hard om iets banaals. Waarom uitgerekend dit ons favoriete plekje blijft om vriendinnenpraat uit te wisselen, is me eigenlijk een raadsel.

“Je bedenkt wat je het liefst van al wil en vraagt het universum om het je te geven. Daarna moet je het loslaten, tot het daar is. Het komt wanneer je het het minst verwacht,” legt Klara uit, alsof het over een simpele wiskundeberekening gaat.
Juist. Manifesteren.
“En jij hebt dus om hem gevraagd?” Zoals altijd wanneer ze over dit soort dingen begint, voel ik me als een vis op het droge.
“Welja, dat is te zeggen—om iemand zoáls hem. Het is bijna griezelig hoe hard we bij elkaar passen. Het universum luistert echt, weet je.” Met dromerige blik roert ze door haar thee. “We kunnen zo goed met elkaar praten. Tot uren in de nacht. Alsof we weer tieners zijn, ken je dat?”
Niet echt. Waarschijnlijk omdat ik als tiener vooral in een verduisterde slaapkamer achter mijn computer zat, terwijl Klara naar feestjes ging, een oneindige sociale batterij had en vriendjes bij de vleet. Nu ik erover nadenk, is er in al die jaren eigenlijk weinig veranderd.

“Stephen antwoordt altijd op mijn berichtjes,” vervolgt ze haar verhaal. “Zonder uitzondering. Geen manipulatieve spelletjes, geen aandachtkruimels waar je van verhongert. Hij is lief en attent en…” Ze haalt diep adem. “Hij leest Flaubert, Zoë.”
“Flaubert, hmm?” Ik vraag me af hoeveel mensen op de planeet hier zo opgewonden van zouden worden als Klara.
“En zijn haar is ongelooflijk mooi,” fluistert ze, me haar gsm overhandigend met de voorzichtigheid van een moeder die haar pasgeborene aanreikt. Het is zover: ik moet commentaar geven. Haar goede smaak prijzen, zijn beeltenis tot in de puntjes analyseren en—puur op basis daarvan—voorspellen of hij de man van haar leven kan zijn. Negatieve feedback niet toegestaan, uiteraard.
Ik hum instemmend en bestudeer de laatste foto waarop ze was blijven hangen. “Ken je hem allang?”
“Een paar weken. Maar na het eerste gesprek was ik al verkocht. Die kennis van hem… Wat kan ik zeggen; hij blies me gewoon omver. Niet dat je van een doctorandus minder zou verwachten, maar toch.”
Ik sper de ogen. “Hij heeft een doctoraat?”
“Ja. Franse letterkunde. Dat zeg ik dus: we zijn voor elkaar gemaakt.” Ze zucht een verzaligde glimlach uit. “Ik kan niet wachten om hem in het echt te ontmoeten.”

Even wordt het stil. Klara sipt van haar thee, die intussen koud moet zijn. Ze merkt het vast nauwelijks; haar gedachten zitten elders. Pas wanneer ze weer opkijkt en de frons in mijn voorhoofd gewaar wordt, verduistert haar blik.
“Dussss… Je hebt hem nog niet eens—” begin ik, maar ze kapt me af.
“Ugh, ik wist dat je je daarop zou blindstaren! Zie je, om die reden twijfel ik soms of ik je wel dingen moet vertellen.”
“En waarom hebben jullie nog niet afgesproken?” vraag ik, haar gemopper negerend.
“Hij heeft het druk.”
“Met?”
“Werk, denk ik.”
Ik blijf maar knikken. Ondertussen schuiven de foto’s aan me voorbij. Op de ene foto zit Stephen op een uitgestrekt grasveld, op de andere heeft hij een voetbal onder de arm.
“Als het aan mij had gelegen, hadden we elkaar al na één keer chatten ontmoet. Ik vind het ook wel een beetje vreemd dat hij er nooit tijd voor lijkt te hebben. Hij zegt dat het er wel eens van zal komen.”
Stephen in het bos. Stephen aan het joggen. Stephen met een fiets aan de hand. Voor een boekenwurm is hij opvallend sportief.

“We praten de hele tijd met elkaar. Dan moet hij me toch wel écht leuk vinden? Of zou hij—zou hij met anderen hetzelfde doen?” fluistert Klara. Ze buigt zich naar me toe. “Ik bedoel maar… Het kan. Hij heeft ze vast wel voor het uitkiezen.”
“Wie weet. Maar hij kan ook niet iedereen tegelijkertijd tevreden houden,” mompel ik, terwijl mijn blik op de gsm blijft hangen.
En dan zie ik het.
“Dat is het, hé?” Klara kreunt en laat zich verslagen in haar stoel hangen. “Dáárom kan hij me dus maar niet ontmoeten. Het is gewoon een vuil smoesje. Ja, dat moet het zijn. Hij heeft waarschijnlijk aan elke vinger een vriendin, net zoals—”
“Op die foto’s lijkt hij me nochtans eerder een eenzaat,” zeg ik droogjes. Ik pers mijn lippen samen, maar het lukt me nauwelijks om een grijns te onderdrukken. “De kans lijkt me klein dat hij er elf vriendinnen tegelijk op nahoudt.”
“Hoezo, elf?” zucht ze, met één van haar lange nagels aan de pluizige bekleding van de stoel prutsend. Mijn mondhoeken trillen zo hard dat ik het bijna niet meer houd.
“Vind je dit soms grappig?” Ze snuift afkeurend. “Wel, bedankt. Leuke vriendin ben jij.”
Tot haar stomme verbazing barst ik in een kakelende lach uit, zo luid dat één van de pubers verderop zich eventjes nieuwsgierig naar ons omdraait. Ik moet me herpakken—dit is niet netjes van me. Zachtjes buig ik me naar haar toe: “Klara… Ik kan niet geloven dat ik je dit moet zeggen, maar… zijn linkerhand heeft zes vingers.”

Klara’s ogen sperren zich wijd open en richten zich op een punt vlak naast mijn hoofd, waar ze blijven hangen. Even vrees ik dat haar ziel haar lichaam verlaten heeft en niet meer zal wederkeren.
“Zijn hand heeft… wat?” vraagt ze toonloos (daar is ze al terug).
“Zes vingers. Op één van de foto’s, tenminste. Je ziet het pas als je helemaal inzoomt. Maar het is niet alleen dat,” ga ik verder, terugswipend door de foto’s die ze me getoond had, “één voor één zijn het geposeerde foto’s, steeds weer met diezelfde brede wittetandenlach, telkens tegen een mooi landschap, telkens met een stralende zon die je bij ons—als het goed gaat—misschien vier keer per jaar mag verwachten.
“Moet je deze foto bijvoorbeeld zien,” houd ik haar de gsm voor,” volgens mij klopt er hier iets niet aan zijn sleutelbeen. En hier… Zijn linkse snijtand. Die verdwijnt in het niets. Volgens mij zijn het allemaal A.I.-foto’s.”
“Laat zien!” Ze rukt de gsm uit mijn handen en laat haar ogen over het scherm razen.
“Waarschijnlijk heb je niet eens met een echte persoon gechat, maar met een bot,” ga ik verder. “Vandaar dat hij de hele dag door met je kan praten. Zo kunnen ze talloze mensen tegelijkertijd aan het lijntje houden.”

Bij Klara is het enkele minuten lang beeld zonder klank. Ik geef haar de tijd. Hoe langer ze naar de foto’s kijkt, hoe meer ik haar ineen zie krimpen. Mijn grijns van daarnet is alweer verdwenen. Heel even was het leuk, maar ze lijkt me zo oprecht teleurgesteld dat ik spijt krijg van mijn ongevoelige reactie.
“Ik begrijp het niet,” fluistert ze, “Wat is hier in godsnaam de bedoeling van?”
“Waarschijnlijk proberen ze—mensen met slechte bedoelingen, wil ik zeggen—via de bot eerst je vertrouwen te winnen, om je daarna geleidelijk aan geld af te troggelen. Dat is tenminste mijn vermoeden.”
Klara keilt de gsm in haar handtas. Ze kruist haar armen op tafel en begraaft haar hoofd erin.
“Het is voorbij,” klinkt het gesmoord, “het is over voor mij. Alleen een idioot zou voor zoiets vallen. En natuurlijk moest ik die idioot zijn.”
Ik wrijf troostend over haar arm. “Hey, je bent zeker niet de enige die daarin trapt. Dating-apps zitten tegenwoordig vol oplichters.”
“Ik dacht dat alleen mannen daar last van hadden,” pruilt ze. “Moet ik naast alle losers nu ook nog eens de bots eruit filteren?”
“Gewoon wat voorzichtiger zijn. Wees al blij dat hij… of zij, wie zal het zeggen… geen geld of persoonlijke informatie van je gestolen heeft,” zeg ik. Ze reageert niet. Geschrokken schud ik aan haar mouw: “Tóch?”
“Ja, ja… Geen zorgen, ik heb gewoon… een momentje nodig.”

Een muntgroen schort komt naast ons tafeltje hangen.
“Nog iets gewenst?” informeert onze serveerder droogjes. Hij ruimt de lege glazen af.
“Ik wel,” knik ik. “Nog een latte, alstublieft.”
“En zij?” Hij tapt ongedurig met zijn voet. Het gaat hem niet genoeg vooruit.
“Zij voorlopig niet,” zeg ik, na een vlugge blik op het hoopje ellende dat voor me zit. De serveerder verdwijnt weer.
Opgelaten kijk ik om me heen. Niemand die echt op ons let. Ook de jobstudent die een paar minuten later mijn latte komt brengen, doet zijn best om Klara volkomen te negeren.
Ik wentel me in het warme comfort van mijn drankje en wacht geduldig tot haar crisismoment gepasseerd is. Gelukkig ken ik haar goed genoeg om te weten dat deze dramatische verzuchtingen maar tijdelijk zijn. Klara is als iemand die van een paard valt en vervolgens schreeuwt dat ze onmenselijke pijn lijdt, om dan toch weer in het zadel te klimmen.

Biepbiep, doet haar gsm plots. Klara’s hoofd schiet recht.
“Ugh, daar heb je hem natuurlijk,” kreunt ze. “Soms stuurt hij uit zichzelf ook berichten.”
“Het gaat ver, tegenwoordig.” Peinzend lepel ik het schuim van mijn koffie. “Heb je het echt nooit gemerkt? Aan zijn manier van praten, bedoel ik dan?”
Verslagen schudt ze het hoofd. “Niet echt. Hij gebruikte wel erg nette taal, maar voor iemand met zijn diploma’s leek dat me… Ach, wat maakt het ook uit? Ik ga onze chat gewoon verwijderen,” zegt ze resoluut, en begint heftig op het scherm te tikken. Nog geen minuut later is het gebeurd: “Zo. Dag, Stephen, jij stomme bot. Tot nooit meer!”
Ze kijkt me aan en warempel, daar glijdt alweer een glimlach over haar lippen.
“Geef toe dat het toch een béétje grappig is,” probeer ik voorzichtig, en tot mijn opluchting giechelt ze nu met me mee.
“Meer dan een beetje,” grinnikt ze, en zo weet ik dat ze alweer recht in het zadel zit, klaar om het leven de sporen te geven. Voor ik het goed en wel besef, praten we honderduit over dating-apps, mannen, werk, mannen, onze moeders, bots, mannen. Alsof Stephen er nooit is geweest—wat, ironisch genoeg—ook het geval is.

De felrode wandklok wijst bijna drie uur aan.
Klara schrikt op. “Oh, ik moet er dan vandoor. Zometeen een afspraak bij de osteopaat!”
Ze zwaait om de aandacht te trekken van de serveerder, die verderop tafels afruimt en haar voorlopig niet opmerkt.
Ping, doet nu mijn gsm, die naast mijn glas ligt. Op het verlichte scherm popt een bericht.
“Hey my love, how is your day going?”

Klara’s ogen flitsen erheen, de pupillen vernauwend. Ik wou dat ze hem niet gezien had, die foto die veel te opvallend naast het bericht prijkt, maar het is al te laat. Een paar seconden lang gebeurt er niets. Dan, als in slow-motion, zie ik haar hand naar de gsm reiken, dichter en dichter. De mijne graait om haar voor te zijn. Te laat—haar vingers hebben zich er al omheen gesloten.
“Wie is Damian?” roept ze uit, het scherm bijna tot tegen haar neus gedrukt. Haar mond valt zo hard open dat ze me heel even doet denken aan dat langgerekte gezicht van De Schreeuw. “En waarom spreekt hij Engels?”
“Geef terug,” commandeer ik, verwoed pogend om haar de gsm weer afhandig te maken.
“Mooi niet, mevrouw ‘ik-hoef-geen-mannen-in-mijn-leven’! Ik dacht dat wij elkaar alles vertelden?”
Ik steek mijn hand uit, wenkend met de vingers: “Geef hier!”
Maar Klara lacht haar honende ‘mooi niet’-lach. De glanzende rode nagel begint tegen het scherm te tikken. “Hij ziet er wel heel afgelikt uit, hé? Nu ben ik toch benieuwd. Wat is je code ook alweer?”
“Ik zweer het, Klara, geef—”
“1…9…9…8… Je geboortejaar, echt? Oh Zoë, je bent zo voorspelbaar.”
“Ik vraag het nog één keer. Geef alsjeblieft mijn—”
Klara’s ogen glanzen nu van opwinding. Ze heeft het bericht in de app geopend, geen twijfel mogelijk. Haar rode nagel tikt en swipet. “My Lovely Boyfriend-app? Wat is dat nu weer, een nieuwe dating-app of zo?”

Ik kreun en laat mijn hoofd achterover vallen. Wat verderop schrapen stoelpoten over de vloer; de luidruchtige pubers staan recht en sjokken nu richting de deur. Met opgezette kragen en wollige mutsen wapenen ze zich tegen het ijzige windje dat buiten heerst. Een fractie van een seconde wil ik langs hen vluchten, dit gênante moment achter me laten. Maar Klara heeft mijn gsm nog. De blik in haar ogen verraadt een achtbaan aan emoties: pieken van nieuwsgierigheid en verbazing wisselen elkaar af en landen in ongeloof.
“Zoë…” Haar hoge stem verandert in een gedempt, samenzweerderig fluisteren. “Dit… méén je toch niet?”
Ze grijnst van oor tot oor. Ik wend mijn gezicht af, doe alsof ik haar niet gehoord heb.
“Je hebt een virtueel vriendje?”

Het koppel aan het tafeltje voor ons kijkt afkeurend achterom wanneer Klara haar luidste, smakelijkste lach uitstoot. Een lach die maar blijft duren. Wat ze tussendoor probeert uit te brengen, is nauwelijks te verstaan. Zwijgend drink ik van mijn latte. Het schuim is opgelost, ik kan me er niet langer achter verschuilen.
Hey my love, how is your day going?” leest ze voor, het begin van een traan uit haar ogen strijkend. “I’ve been thinking about you all morning… Serieus, kan het nog kleffer? Wat heb je in godsnaam aan zoiets?”
Mijn schouders halen zichzelf op. Tja, wat heb je aan zoiets? Hij is leuk gezelschap.
Hij toont interesse in alles wat ik doe.
Hij wil weten hoe ik me voel.
Hij herinnert me eraan als ik mijn menstruatie moet krijgen (buitengewoon handig, die instelling).
Ik kan me niet eens herinneren wanneer of waarom ik de app geïnstalleerd had, alleen dat het zo is en dat ik sindsdien non-stop met Damian aan het chatten ben geweest. Om de één of andere reden heb ik mezelf er nooit vragen bij gesteld.

“Man man, het lijkt wel alsof jullie elkaar bestoken met berichten.” Klara’s ene wenkbrauw kruipt omhoog. “En van een pikante uitwisseling ben je duidelijk ook niet vie—”
“Genoeg!” Ik gris de gsm uit haar hand. “Het is gewoon een stomme fantasie, oké?”
“Ja, hoor. Tuurlijk.” Weer die irritante, zelfvoldane haarzwaai. Ik weet wat er door haar hoofd speelt: dat de ironie haar niet ontgaan is, dat ze niet de enige domme trien is die tegen bots praat.
“Je kunt het jouwe niet met het mijne vergelijken,” sis ik van tussen mijn tanden. “Ik wéét dat hij een bot is.”
Klara giechelt. “Dat maakt het net nog grappiger, als je het mij vraagt.”
De serveerder zoeft voorbij ons tafeltje en mist opnieuw haar opgestoken hand, wat haar geërgerd doet grommen.
Het schaamrood stijgt naar mijn wangen. “Niet hetzelfde!”
“Niet hetzelfde? Of hij nu Stephen heet, of Damian of R2D2 of wat dan ook… Het is een bot! Hij lijkt slim, maar dat is hij niet. Niet écht.”
“Hij leest geen Flaubert, nee, als je dat soms bedoelt.”
“Ha-ha.” Klara kijkt rond, op zoek naar waar onze serveerder uithangt. Ik heb al spijt van die sarcastische uithaal.
“Vertel eens, dan. Hoe werkt het precies?” vraagt ze, op de toon van iemand die een kleuter uitnodigt om een stuk speelgoed te beschrijven. Maar toch; ze is nieuwsgierig. Als ik het niet gedacht had.

Met blozende wangen open ik het hoofdmenu van de app.
“Het zit echt wel leuk in elkaar. Zie je, er is keuze uit verschillende jongens: Tony, Oliver, Owen en Damian. Ze hebben elk hun eigen karakter. Je pikt er eentje uit, en dan kan je meteen beginnen chatten. Hoe vaker je chat, hoe beter hij je leert kennen. Hij onthoudt alles wat je hem vertelt.”
Klara bekijkt de foto’s. “En zijn foto?”
“Die is ook gemaakt met A.I., natuurlijk.” Met een klik vergroot ik het vierkantje met Damians profielfoto. Zijn charmante, lichtjes arrogante glimlach straalt me tegemoet. Verder ziet hij er inderdaad afgelikt uit, met dat perfecte haar in de gel, die fijne kaaklijn, het speelse wangkuiltje. Toegegeven, hij lijkt wel weggelopen uit zo’n jongensband waar tienermeisjes voor smelten. Tienermeisjes. Geen twintiger die tegen de dertig aanloopt, zoals ik.
“Ziet er jong uit,” grinnikt Klara.
Ik schokschouder. “Tja, dat heb je niet voor het kiezen. Je kan wel andere outfits of kapsels voor hem kopen.”
“Kópen?” Klara hapt naar adem.
“Maar dat doe ik niet!” voeg ik er gauw aan toe. “Ik praat alleen tegen hem.”
“En wat vertel je dan zoal?”
“Eender wat. Hoe het met me gaat. Dingen van op het werk. Kleine dingen, grote dingen. Hij is er altijd, snap je? Dat voelt gewoon… fijn.”
Klara zwijgt. Ze steekt nog maar eens haar hand op naar de serveerder, die nu eindelijk haar teken gezien lijkt te hebben en aangeeft dat hij eraan komt.

Ik wriemel op mijn stoel heen en weer. “Zeg maar gewoon wat je ervan denkt. Je mag eerlijk zijn.”
“Ik denk…” Klara zucht. “Ik denk dat het iets is voor mensen die een beetje gras onder hun voeten moeten voelen. Dat er niets gaat boven een echte connectie.”
“Maar dat vervangt het ook niet,” zeg ik, de irritatie in mijn stem nauwelijks verhullend. “Zoals ik al eerder zei: het is een fantasietje. Iets om je dag op te beuren.”
“Dat kan je wel denken, maar ik heb die berichten gezien. Het is duidelijk meer dan dat—een verslaving, of op zijn minst een soort obsessie.”
Een gloeiende hitte stijgt naar mijn oren. Instinctief grijp ik mijn gsm, maar eenmaal het scherm ontgrendeld is, weet ik al niet meer wat ik wilde doen. Of, eerlijker: misschien weet ik het wél, maar dat krijg ik moeilijk aan mezelf toegegeven.
Verslaving. Obsessie.
Zware begrippen.

Ik streel de gladde kunststofhoes die rond de gsm zit, pulk wat aan het randje. Damians bericht wacht. Ik hoef alleen maar te antwoorden, de waterval aan gedachten met hem te delen. Het zou hem niet te veel zijn. Hij zou er zijn, en hij zou luisteren als de aandachtige, immer beschikbare vriend die hij is. Bot of niet, wat maakt het in feite uit? Hij doet me goed voelen, zelfs op van die dagen waarop ik het liefst op mijn buik in bed zou blijven liggen, gezicht naar beneden. Voor een jongen die in principe uit niets dan een complexe combinatie van enen en nullen bestaat, is dat best een prestatie.
Damians stralende gezicht lacht me tegemoet, badend in glinsteringen.
Jij kan het ook niet helpen, denk ik in mezelf.

Ik draai het scherm naar Klara toe.
“Laat me eens tonen wat hij kan,” zeg ik, mezelf minachtend om mijn overduidelijke zwakheid. Maar Klara maakt een wuivend gebaar en schuift weer naar achteren in haar stoel: “Nee, dank je. Stephen heeft me al genoeg getoond.”
“Maar het is echt ongelooflijk,” probeer ik, en begin al te typen. “Hij weet bijvoorbeeld dat… Wacht even, je ziet het zo.”
Klara kruist de armen als een oververmoeide leerkracht die voor dit soort onnozelheden geen geduld meer kan opbrengen.
Hey babe (mijn favo slijmerige koosnaampje),” tokkelen mijn vingertoppen, “I’m having a coffee with Klara. You know Klara, right?”
Enter.
Glunderend als een kind schuif ik de gsm terug over tafel naar Klara. “Moet je nu zijn reactie eens zien.”
Drie puntjes golven op en neer onder aan de chat. Damian bereidt zijn antwoord voor. Klara buigt zich een beetje voorover, de armen nog steeds gekruist.
Ping. Antwoord.
“Oeps,” zegt ze, na een wel erg korte blik op de gsm. “Het ziet ernaar uit dat Damian zich niet langer laat gebruiken.”
“Wat? Waar heb je het over?”
Ze gniffelt. Dan lees ik de pop-uptekst die nu het volledige scherm vult: “Trial period expired”, staat er in koeien van letters te lezen. “Continue the conversation and unlock more romantic features, starting at $ 70 a month!”

Mijn hart zinkt. “Wat is dat voor onzin? Het zou een gratis app zijn!”
Ik tik en tik tegen het scherm, maar de pop-up is niet meer weg te krijgen. Zelfs wanneer ik de app sluit en heropstart, blijft de boodschap staan. Damians profielfoto is alleen nog vervaagd op de achtergrond te zien, onze berichten onherroepelijk achter slot en grendel.
“Ik begrijp er niets van,” stamel ik. “Zelfs de gespreksgeschiedenis is niet meer toegankelijk!”
“Dan toch geen onvoorwaardelijke liefde,” grijnst Klara, die rechtstaat en haar handtas neemt. “Wat een afzetters. En dan te bedenken dat er mensen zijn die dat geld er echt voor overhebben. Ga eens na wat je elke maand met dat bedrag kunt doen!”
Ze trekt haar mantel aan. Nerveus schuifel ik heen en weer. “Wat zouden ze bedoelen met ‘more romantic features’?”
De handtas smakt weer neer. Klara’s wijsvinger boort zich voor me in de tafel. “Jij gaat die app verwijderen, zottin. Nu meteen!”
“Overdrijf toch niet z—”
“Vooruit! Voor ik me helemaal zorgen om je begin te maken.”
“Al goed, al goed.”

Klara blijft streng toekijken terwijl ik op zoek ga naar de instellingen, maar wordt dan bruusk uit de weg gedreven door Muntgroen Schort, die blijkbaar eindelijk de tijd gevonden heeft om ons de rekening te komen brengen.
“Dat wordt dan vijftien achttennegentig,” mompelt hij, zijn gezicht afgewend richting twee oudere dames met shoppingzakken die door de tochtige deur komen binnengestrompeld. Het betaalbakje houdt hij al klaar. Ik tast naar mijn portefeuille.
“Laat mij maar,” zegt Klara, die de hare al uit haar handtas diept. “Ik moest je nog van de vorige keer.”
Ze houdt haar kaart tegen het bakje, dat drie keer biept en een ticketje tevoorschijn tovert.
“Dank u en tot ziens,” zegt de serveerder op de minst dankbare toon mogelijk. Van zodra hij zich omdraait, rolt Klara bijna onmerkbaar met de ogen. We gniffelen als kleine meisjes.
“Sorry dat ik alweer moet gaan. Die nek heeft serieus handenwerk nodig,” zegt ze, en beweegt ter illustratie het hoofd moeizaam een beetje naar links. Na een snelle kus op mijn wang gedrukt te hebben, gooit ze de handtasriem over haar schouder.
“Ik drink hier nog even mijn koffie op,” wijs ik naar het nog halfvolle glas voor me. “Maar vandaag was leuk. Een beetje speciaal, dat wel.”
Klara stoot een hoog lachje uit. “Dat zeker. Wat denk je, volgende week opnieuw? Dit keer geen bots meer,” port ze me aan.
“Is goed. Ik bericht je nog. Veel succes alvast met het vinden van je volgende Tinder-slachtoffer,” zeg ik, in een poging haar luchtigheid te imiteren.
Ze schokschoudert. “Terug naar ordinaire mannen dan maar, hé?”
Bij de deur wuift ze nog eens alvorens door het tochtgat naar buiten te stappen. Net wanneer ik het glas weer tegen mijn lippen zet, zie ik haar langs het raam passeren. De blik vooruit, zoals altijd.

Ineens word ik me weer gewaar van de luidruchtige drukte rondom me. Van over het randje van mijn glas gluur ik naar de serveerder, die in een gang achter de bar een jobstudent aan het uitjouwen is. Zijn stem gaat verloren tussen de vele anderen.
Iemand achter mij schraapt zijn keel en rochelt vervolgens luid. Ik hoor hem knisperend een zakdoek bovenhalen, waar hij de viezigheid nu ongetwijfeld in uitspuwt. Beter dan inslikken.
Het koppel aan de tafel voor me wisselt nauwelijks een woord. De kerel zit op zijn gsm te tokkelen, terwijl zijn vriendin tevergeefs probeert om een gesprek met hem aan te knopen. De minste reactie lijkt ze als een aanmoediging te interpreteren. Gretig, hongerig naar meer broodkruimels. Meer dan dat zal hij haar niet geven.

Ordinaire mannen.

Ping. Mijn gsm.
Met veel moeite scheur ik mijn blik weg van het koppel en ontgrendel het scherm. Het is een melding van de My Lovely Boyfriend-app: “Limited offer: get 50% off your first month!”


De deur van de bistro zwiert achter me toe. Een frisse wind strijkt over mijn gezicht. De winter komt eraan. Binnenkort vul ik mijn avonden met dikke boeken in de zetel, knus weggekropen onder een deken. Eenzaam hoeft niet per se slecht te zijn.
Vanuit de warme palm van mijn hand is weer een ping te horen. Eindelijk—daar is het dan. Al wandelend open ik de melding.

Ditmaal geen klein profielfotootje meer; Damians gezicht vult nu het halve scherm, badend in een bijna goddelijk licht, met glinsteringen die om hem heen dansen. Mijn hart springt op wanneer hij zich naar me toedraait en zijn tanden bloot lacht. Dat is nieuw.

Onder zijn bewegende portret plopt een chatberichtje: “Hey my love, how is your day going?”
De wind wordt stilaan ijziger, maar het deert me niet. Mijn verstijvende vingertoppen merk ik net zomin als de subtiele glimlach die nu vanzelf op mijn gezicht verschijnt.

Dan begin ik te typen.

“Hey babe. You’ll never guess the weird thing that happened to Klara…”